wetsvoorstellen box 3

Prinsjesdag: wetsvoorstellen box 3

Prinsjesdag: wetsvoorstellen box 3

21 september 2022

wetsvoorstellen box 3

Op Prinsjesdag is het pakket Belastingplan 2023 gepresenteerd. Wij hebben de belangrijkste maatregelen per thema voor je samengevat. Hierbij zetten wij de wetsvoorstellen voor box 3 voor je onder elkaar. Onder de Prinsjesdag wetsvoorstellen box 3 vallen o.a. wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3, beleidsbesluit rechtsherstel box 3 en wetsvoorstel Overbruggingswet box 3.

Wetsvoorstellen box 3

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad (HR) een arrest gewezen over de belastingheffing in box 3 (Kerstarrest). De kern van dit Kerstarrest is dat het box 3-stelsel in bepaalde gevallen in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zodat rechtsherstel moet plaatsvinden.

 

Om de belastingheffing in box 3 in lijn te brengen met het Kerstarrest wordt onderscheid gemaakt tussen het verleden, het heden en de toekomst:

 

 

 

De kritiek op het box 3-stelsel is overigens niet nieuw. Het belangrijkste kritiekpunt is dat belastingplichtigen belasting moeten betalen over een inkomen uit vermogen dat in werkelijkheid niet is genoten. Hierbij is de spaarrekening het meest aansprekende voorbeeld, aangezien de spaarrente de afgelopen jaren fors is gedaald.

 

Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3

Voor het verleden, dus de jaren 2017 tot en met 2022, moet rechtsherstel worden geboden. Het wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 regelt dit rechtsherstel in de volgende gevallen:

  • ten aanzien van de belastingplichtigen die zijn aangesloten bij de massaal bezwaarprocedures over de jaren 2017 tot en met 2020; en
  • voor aanslagen van alle (andere) belastingplichtigen die nog niet onherroepelijk vaststonden op 24 december 2021 of op die datum nog niet waren vastgesteld (waaronder de aanslagen over de jaren 2021 en 2022).

 

Voor deze gevallen wordt een nieuwe berekening van het inkomen uit box 3 (het zogenoemde voordeel uit sparen en beleggen) gemaakt. Als deze nieuwe berekening lager uitkomt dan de oorspronkelijke berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt dit nieuwe voordeel uit sparen en beleggen gehanteerd. Op basis van het Kerstarrest en het Beleidsbesluit worden ook aanslagen over de kalenderjaren 2021 en 2022 lager vastgesteld indien de nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen lager uitkomt dan de oorspronkelijke berekening in box 3.

 

Beleidsbesluit rechtsherstel box 3

Het rechtsherstel over jaren 2017 tot en met 2020 is al per 1 juli 2022 op gestart op basis van het Besluit rechtsherstel box 3 (het Beleidsbesluit). Het onderhavige wetsvoorstel is de wettelijke vertaling van het Beleidsbesluit en werkt daarom terug tot 1 juli 2022.

 

Voorgestelde aanpassingen

Verlaging indien de nieuwe berekening leidt tot een lager voordeel uit sparen en beleggen

Het rechtsherstel houdt in dat ten aanzien van aanslagen die in de massaalbezwaarprocedures vallen en aanslagen over het kalenderjaar 2017, 2018, 2019 of 2020 die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, een nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt gemaakt. Als het voordeel volgens deze nieuwe berekening lager is dan volgens de oorspronkelijke berekening in box 3, dan wordt het voordeel uit sparen en beleggen op het lagere bedrag vastgesteld.

 

Het wetsvoorstel kan voor belastingplichtigen uitsluitend leiden tot een lager voordeel uit sparen en beleggen en niet tot een hoger voordeel uit sparen en beleggen. Als de oorspronkelijke berekening in box 3 lager uitkomt dan de nieuwe berekening, geldt dus de oorspronkelijke berekening. Er kan in het rechtsherstel geen sprake zijn van een belastingverhoging.

 

Het rechtsherstel wordt ook toegepast op aanslagen die op de datum van het Kerstarrest nog niet waren vastgesteld door de inspecteur. Het rechtsherstel wordt dus ook toegepast op aanslagen over het kalenderjaar 2021 en 2022, aangezien deze aanslagen in de regel pas zullen worden/zijn vastgesteld na 24 december 2021.

 

Werkelijke samenstelling van het vermogen

In de nieuwe berekening  van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen. Daarbij wordt het vermogen van de belastingplichtige onderverdeeld in drie categorieën: banktegoeden, overige bezittingen en schulden.

 

Voor het begrip ‘banktegoeden’ wordt aangesloten bij het begrip ‘deposito’ zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht. Hiermee wordt een duidelijke afbakening van banktegoeden gegeven. Dit betekent dat alle box 3-bezittingen die niet vallen binnen de definitie van deposito en die geen schulden zijn als ‘overige bezittingen’ worden aangemerkt

 

Na de verdeling van het vermogen over de hiervoor genoemde verschillende vermogenscategorieën wordt het rendement bepaald. Voor elke vermogenscategorie wordt een eigen forfaitair rendementspercentage voorgesteld dat zoveel mogelijk aansluit bij het werkelijk behaalde rendement over de betreffende vermogenscategorie. Het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden wordt gebaseerd op het gemiddelde maandelijkse rentepercentage op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden in het betreffende kalenderjaar, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. Ook het forfaitaire rendementspercentage voor schulden wordt gebaseerd op gemiddelden van het lopende belastingjaar. Hiervoor wordt aangesloten bij de gemiddelde maandelijkse rente over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank.

 

De rendementspercentages voor banktegoeden en schulden kunnen voor het jaar 2022 pas na afloop van dat belastingjaar worden vastgesteld. Door de rendementspercentages na afloop van het belastingjaar vast te stellen wordt het werkelijk in een kalenderjaar behaalde rendement zo goed mogelijk benaderd.

 

Voor de categorie ‘overige bezittingen’ blijft de huidige meerjarige formule van rendementsklasse II van toepassing. Door aan te sluiten bij een meerjarig gemiddelde wordt voorkomen dat belastingplichtigen met overige bezittingen in (gemiddeld genomen) slechte beleggingsjaren geld terugkrijgen, ook als ze bezien over meerdere jaren wel een goed rendement hebben behaald. De percentages voor de jaren 2017 tot en met 2021 en het percentage voor categorie II in 2022 zijn reeds bekend. Deze zijn opgenomen in onderstaande tabel.

 

Het rendement voor elke vermogenscategorie wordt berekend door het toepasselijke forfaitaire rendementspercentage te vermenigvuldigen met de waarde van de desbetreffende bezitting of schuld (na aftrek van de schuldendrempel) op de peildatum (1 januari van het desbetreffende kalenderjaar).

 

Het heffingvrije vermogen van het huidige box 3-stelsel blijft in het rechtsherstel in stand. Omdat, in tegenstelling tot het huidige stelsel, niet wordt uitgegaan van een forfaitaire vermogensmix, kan de vraag opkomen op welke vermogensbestanddelen het heffingvrije vermogen in mindering moet worden gebracht. Voorgesteld wordt om voor het bepalen van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen het effectieve rendementspercentage uit de drie vermogenscategorieën te vermenigvuldigen met de rendementsgrondslag verminderd met het heffingvrije vermogen (de grondslag sparen en beleggen).

 

Partnerverdeling

Fiscale partners kunnen op grond van de huidige wetgeving de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen onderling in hun aangifte inkomstenbelasting verdelen, mits in totaal de volledige grondslag wordt aangegeven. Deze verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen kan door fiscale partners in principe worden herzien tot het moment waarop de aanslagen van de belastingplichtige en zijn partner onherroepelijk vaststaan. Fiscale partners van wie de aanslagen over het betreffende jaar reeds onherroepelijk vaststaan, hebben dus geen mogelijkheid meer om hun gemaakte keuze van de verdeling te herzien. Dit betekent dat belastingplichtigen, van wie de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan op 4 februari 2022 bij het doen van de collectieve uitspraak op bezwaar, geen mogelijkheid meer hebben om hun keuze van verdeling te herzien.

 

Na de hiervoor beschreven voorgestelde aanpassingen sluit volgens het kabinet de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen beter aan bij het werkelijk behaalde rendement, met name ten aanzien van belastingplichtigen die een groter aandeel banktegoeden hebben dan in het ‘oude systeem’ forfaitair werd verondersteld.

 

Ook na de voorgestelde aanpassingen is overigens geen sprake van een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement. Er worden immers in de berekening nog steeds forfaitaire rendementspercentages gehanteerd. Het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige kan in een belastingjaar dus hoger of lager zijn dan het forfaitair bepaalde rendement. De regering werkt momenteel aan de invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het is uitvoeringstechnisch echter nog niet mogelijk om op dit moment al het werkelijke rendement te belasten. Voor het rechtsherstel is gekozen voor een methode die in grote mate geautomatiseerd is uit te voeren door de Belastingdienst, waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren.  Naar verwachting wordt een stelsel op basis van werkelijk rendement per 1 januari 2026 ingevoerd.

 

Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3

Niet alleen voor het verleden, maar ook voor het heden en de toekomst zijn als gevolg van het Kerstarrest aanpassingen nodig in het systeem van box 3. Doel van het onderhavige wetsvoorstel Overbruggingswet is het box 3-stelsel in lijn te brengen met het Kerstarrest. Het gaat daarbij om de jaren 2023 tot en met 2025.

 

Voorgestelde aanpassingen

Werkelijke samenstelling van het vermogen

In lijn met het Kerstarrest en met de voor het rechtsherstel gekozen oplossing, wordt de belastingheffing in het onderhavige wetsvoorstel gebaseerd op de werkelijke samenstelling van het vermogen. Het vermogen wordt hiertoe, evenals onder het rechtsherstel, onderverdeeld in drie categorieën: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor iedere vermogenscategorie geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage.

 

Voor het begrip ‘banktegoeden’ wordt opnieuw aangesloten bij het begrip ‘deposito’ zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht. Hiermee wordt een duidelijke afbakening van banktegoeden gegeven. Dit betekent ook onder het wetsvoorstel Overbruggingswet box 3 dat alle box 3-bezittingen die niet vallen binnen de definitie van deposito en die geen schulden zijn als ‘overige bezittingen’ worden aangemerkt. Er geldt een uitzondering voor contant geld: contant geldt wordt ook gezien wordt als een banktegoed. Aangezien contant geld normaliter geen rendement oplevert, acht de regering het gerechtvaardigd om contant geld niet in de vermogenscategorie overige bezittingen, maar in die van banktegoeden op te nemen. Dat betekent dat voor contant geld met het (lage) forfaitaire rendementspercentage van banktegoeden wordt gerekend. Hiermee wordt de belastingplichtige tegemoetgekomen.

 

Forfaitaire rendementspercentages

Na de verdeling van het vermogen over de drie vermogenscategorieën is de berekening van het inkomen vergelijkbaar met de huidige berekening in box 3. Voor elke vermogenscategorie wordt een eigen forfaitair rendementspercentage voorgesteld.

 

  • Banktegoeden

Voor de vermogenscategorie banktegoeden wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het werkelijk in een jaar behaalde rendement. Het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden wordt gebaseerd op het gemiddelde maandelijkse rentepercentage op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden van het lopende kalenderjaar, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. Dit rendementspercentage wordt gebaseerd op de gegevens over de periode van januari tot en met november van het kalenderjaar, waarbij de maand november dubbel wordt geteld. Aangezien die gegevens pas na afloop van het kalenderjaar bekend zijn, kan het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden pas na afloop van het kalenderjaar definitief worden vastgesteld. Door de rendementspercentages na afloop van het belastingjaar vast te stellen wordt het werkelijk in een kalenderjaar behaalde rendement zo goed mogelijk benaderd.

De keuze om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het werkelijk in een kalenderjaar behaalde rendement, impliceert overigens dat pas na afloop van het jaar het definitieve box 3-inkomen bekend is.

  • Schulden

Ook het forfaitaire rendementspercentage voor schulden wordt gebaseerd op gemiddelden van het lopende kalenderjaar. Hiervoor wordt aangesloten bij de gemiddelde maandelijkse rente over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens van het lopende kalenderjaar, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. De reden om aan te sluiten bij de rente op uitstaande woninghypotheken en niet bijvoorbeeld bij de rente op consumptief krediet, is dat uit een analyse van de aangiftegegevens van de Belastingdienst blijkt dat verreweg het grootste deel van de schulden in box 3 zich concentreert bij bezitters van onroerende zaken. Om die reden is het zeer aannemelijk dat het grootste deel van de schulden in box 3 is aangegaan als hypotheekschuld ter financiering van een onroerende zaak. Net zoals bij banktegoeden geldt dat ook voor schulden pas na afloop van het kalenderjaar mogelijk is om het forfaitaire rendement vast te stellen.

  • Overige bezittingen

Voor de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage voor de vermogenscategorie overige bezittingen wordt voorgesteld om – in lijn met het rechtsherstel – aan te sluiten bij de huidige, in het kalenderjaar 2022 geldende, methodiek voor vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage voor rendementsklasse II. Deze methodiek is gebaseerd op het langetermijnrendement van zowel onroerende zaken, aandelen als obligaties.

 

Berekening rendement

Het rendement voor elke vermogenscategorie wordt vervolgens berekend door het toepasselijke forfaitaire rendementspercentage te vermenigvuldigen met de waarde van de desbetreffende bezitting of schuld op de peildatum (1 januari van het desbetreffende kalenderjaar). Ook onder het wetsvoorstel Overbruggingswet box 3 blijft het heffingvrije vermogen van het huidige box 3-stelsel in stand.

 

Door het loslaten van de forfaitaire samenstelling van het vermogen en het hanteren van rendementspercentages voor de hierboven beschreven vermogenscategorieën, wordt het werkelijk behaalde rendement beter benaderd dan in het huidige stelsel. Ook na de voorgestelde aanpassingen is echter nog geen sprake van een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige kan in een belastingjaar hoger of lager zijn dan het forfaitair bepaalde rendement.

 

Groene beleggingen

Groen sparen en beleggen zal worden gestimuleerd via de regeling groenprojecten. Door aan te sluiten bij de werkelijke samenstelling van het vermogen is het noodzakelijk geworden om groene beleggingen te splitsen in de elementen sparen en beleggen. Dat betekent dat met betrekking tot groene beleggingen twee nieuwe rubrieken in de aangifte zullen ontstaan, namelijk groene spaartegoeden en groene beleggingen.

 

De groene spaartegoeden vallen in de vermogenscategorie banktegoeden, waarop het lage forfaitaire rendementspercentage van toepassing is. De groene beleggingen vallen in de categorie overige bezittingen, waarop het hogere forfaitaire rendementspercentage van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de huidige vrijstelling voor groene beleggingen over deze twee vermogenscategorieën verdeeld zal moeten worden. Voorgesteld wordt om de vrijstelling eerst in mindering te brengen op de groene beleggingen. Het eventueel resterende deel van de vrijstelling wordt in mindering gebracht op de groene spaartegoeden. Deze volgorde van de toepassing van de vrijstelling is in het voordeel van de belastingplichtige.

 

Peildatumarbitrage

Aangezien de waarde van de banktegoeden, overige bezittingen en schulden slechts op één moment in het kalenderjaar – namelijk op de peildatum (1 januari) – wordt bepaald, kan het voor een belastingplichtige gunstig zijn om overige bezittingen (waar een hoog rendementspercentage op van toepassing is) vlak voor de peildatum te verkopen en tijdelijk om te zetten in banktegoeden (waarvoor een laag rendementspercentage geldt). Na de peildatum worden bezittingen met het hoge rendementspercentage door de belastingplichtige weer aangekocht. Dit wordt peildatumarbitrage genoemd. Daarnaast kan ook met schulden worden gearbitreerd, bijvoorbeeld indien vlak voor de peildatum (tijdelijk) meer schulden worden aangegaan waardoor de waarde van de banktegoeden navenant wordt verhoogd.

 

Om peildatumarbitrage te voorkomen, wordt een bepaling voorgesteld die ervoor moet zorgen dat het tijdelijk omzetten van vermogensbestanddelen niet leidt tot een lagere belastingheffing. Voor zover bij het handelen van de belastingplichtige sprake is van zakelijke overwegingen, is geen sprake van peildatumarbitrage. Op verzoek dient de belastingplichtige dit aannemelijk te kunnen maken.

Onder zakelijke overwegingen worden in dit verband verstaan niet-fiscale overwegingen.

 

Voorgesteld wordt een zogenoemde arbitrageperiode van drie maanden te hanteren. Deze duur van drie maanden komt voort uit de afweging tussen het beoogde doel van de maatregel enerzijds en het recht van een belastingplichtige om vrij te beschikken over zijn eigendom anderzijds. De arbitrageperiode van 3 maanden betekent dat transacties gedaan voor 1 oktober en na 31 maart sowieso niet als arbitragehandeling worden aangemerkt. Hetzelfde geldt wanneer een verkocht dan wel aangekocht vermogensbestanddeel weer wordt aangekocht dan wel verkocht meer dan 3 maanden na de oorspronkelijke transactie. Oftewel beide omzettingshandelingen moeten binnen een periode van 3 maanden waarin een peildatum ligt plaatsvinden.

 

Belastingplan 2023

Lees hier alle maatregelen uit het belastingplan 2023 die op Prinsjesdag 2022 zijn gepresenteerd.

 

Vragen?

Neem gerust contact op met Danny de Wildtbelastingadviseur, via e-mail of per telefoon op +31 (0)40 240 9436 of met een van onze specialisten die rechtsboven op deze pagina staan vermeld.