
Huur je zzp’ers in? Houd rekening met schijnzelfstandigheid.
Huur je zzp’ers in? Houd rekening met schijnzelfstandigheid.
17 februari 2026

Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium beëindigd. De Belastingdienst kan daardoor weer handhaven op de juiste kwalificatie van arbeidsrelaties, onder meer via naheffingsaanslagen loonheffingen. De Belastingdienst heeft de handhavingscapaciteit bovendien opgeschaald, waardoor handhaving effectiever kan plaatsvinden.
Wat is schijnzelfstandigheid?
Schijnzelfstandigheid houdt in dat iemand werkzaamheden verricht als zelfstandige zonder personeel (zzp’er), terwijl er arbeidsrechtelijk feitelijk sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst. Dit kan leiden tot verstoring van de markt (oneerlijke concurrentie) en tot het ontwijken van verplichtingen op het gebied van loonheffingen, arbeidsrecht en pensioen.
De huidige Wet DBA
De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) is in 2016 ingevoerd om meer duidelijkheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgevers en zzp’ers. Onder de Wet DBA is zowel opdrachtgever als opdrachtnemer verantwoordelijk voor het maken van afspraken en voor de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie. In de praktijk bleek dit echter onvoldoende duidelijkheid te bieden. Het aantal zzp’ers nam niet af en in sommige sectoren nam het zelfs toe. Bovendien leidt de Wet DBA tot veel vragen, zowel bij opdrachtnemers als opdrachtgevers en tot veel juridische procedures.
De Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR)
Het wetsvoorstel VBAR beoogt de aanhoudende onduidelijkheid over de kwalificatie van arbeidsrelaties te verminderen door een duidelijker toetsingskader te introduceren om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Daarbij wordt in lijn met jurisprudentie vooral gekeken naar inbedding in de organisatie en (extern) ondernemerschap. Daarnaast is een zgn. rechtsvermoeden van werknemerschap voorgesteld bij een uurtarief van minder dan € 36. De beoogde ingangsdatum van de VBAR was 1 juli 2026.
Zelfstandigenwet
In 2025 is door D66, VVD, CDA en SGP de Zelfstandigenwet voorgesteld als tegenhanger van VBAR. Deze wet legt meer nadruk op ondernemerschap en op een adequaat sociaal vangnet (arbeidsongeschiktheid en pensioen), en introduceert een sectoraal rechtsvermoeden, waarmee de VBAR-systematiek wordt verbreed (dus niet alleen het uurtarief is leidend).
Plannen nieuw (minderheids)kabinet
Het aanstaande minderheidskabinet van D66, CDA en VVD heeft in het regeerakkoord opgenomen dat het streven is om van het wetsvoorstel VBAR alleen het rechtsvermoeden te implementeren en daarnaast de initiatiefwet Zelfstandigenwet tot wet te maken.
Belangrijke jurisprudentie
De belangrijkste jurisprudentie omtrent schijnzelfstandigheid zijn de zaken die draaien om medewerkers van Deliveroo en Uber. In Deliveroo-zaak gaat het over de vraag of bezorgers die via het platform werkten juridisch zzp’er of werknemer zijn. De Hoge Raad oordeelde op 24 maart 2023 dat de kwalificatie afhangt van de feitelijke uitvoering en alle omstandigheden (niet van het contractlabel). Daarvoor heeft de Hoge Raad negen gezichtspunten benoemd, onder meer inbedding in de organisatie, de mate van gezag/aansturing en al dan niet gedrag als ondernemer, die alle even zwaar meewegen. Deze gezichtspunten worden momenteel in de praktijk, zowel door de Belastingdienst als in de jurisprudentie, als uitgangspunt genomen.
In de recente Uber-zaak van 27 januari 2026 is verduidelijkt dat de vraag of Uber-chauffeurs als werknemer of zelfstandige kwalificeren, afhangt van een weging van alle individuele omstandigheden. Daarbij mag ook extern ondernemerschap (ondernemerskenmerken buiten de concrete opdracht) expliciet worden meegewogen. In de voorgelegde zaken oordeelde het gerechtshof dat sprake was van zelfstandigen en dat geen specifieke groep chauffeurs in algemene zin als schijnzelfstandig kon worden aangemerkt. Er moet altijd naar de individuele situatie gekeken worden.
Handhaving door de Belastingdienst
In 2026 zet de Belastingdienst de (her)start van de handhaving door. Op basis van het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 zal de Belastingdienst primair toetsen of sprake is van een feitelijke arbeidsrelatie (inbedding, aansturing, duur/structurele inzet). De Belastingdienst biedt vooroverleg aan om vooraf duidelijkheid te krijgen over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Zonder vooroverleg kan de Belastingdienst op basis van selectie/risicosignalering een bedrijfsbezoek of onderzoek uitvoeren. Bij horizontaal toezicht wordt schijnzelfstandigheid doorgaans meegenomen in de (periodieke) gesprekken; uitgangspunt is dat de onderneming dit proces aantoonbaar heeft geborgd in het tax control framework. De Belastingdienst zal ook meer risicogericht gaan onderzoeken en handhaven (bijv. in sectoren waar veel met zzp’ers wordt gewerkt of bij bedrijven die grote aantallen zzp’ers inhuren).
Belang voor de opdrachtgever/werkgever
Indien een opdrachtnemer als werknemer wordt gekwalificeerd, kan dit gevolgen hebben op het gebied van loonheffingen, arbeidsrecht en pensioen. Voor boetes geldt in 2026 een gedeeltelijke ‘zachte landing’: er worden geen verzuimboetes opgelegd. Bij opzet of grove schuld kan wél een vergrijpboete worden opgelegd.
Daarnaast zullen bij herkwalificatie arbeidsrechtelijke aanspraken gelden (zoals vakantiedagen en vakantiegeld) en kan beëindiging van de relatie complexer en duurder worden (bijvoorbeeld vanwege transitievergoeding). Dus meer kosten voor de opdrachtgever die dan werkgever is geworden. Voor de loonheffingen ontstaat een inhoudingsplicht met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025; verder terug is niet mogelijk. Verder geldt een overgangsregeling tot en met 31 december 2030; naheffing kan plaatsvinden tot maximaal vijf jaar terug. Ook pensioenfondsen kunnen onder omstandigheden met terugwerkende kracht (ook langer dan vijf jaar terug) pensioenpremies claimen. Tot slot kunnen praktische gevolgen ontstaan, zoals het inpassen van het omgerekende tarief in het salarishuis en het gelijk behandelen van arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen) ten opzichte van andere werknemers.
Beoordeel schijnzelfstandigheid binnen je onderneming
Het inhuren van zzp’ers biedt voordelen, zoals flexibiliteit en toegang tot specialistische kennis en is nog steeds mogelijk mits goed geregeld. Gezien de aangescherpte handhaving en voorgenomen wetgeving adviseren wij om (nogmaals) in kaart te brengen welke zelfstandigen binnen de organisatie werkzaam zijn en vervolgens per opdrachtnemer te beoordelen of de feitelijke werkwijze nog past bij zelfstandigheid en of een en ander ook op de juiste wijze in een overeenkomst van opdracht is vastgelegd. De Belastingdienst zal hier immers scherp op zijn vanaf 2026. Dit helpt ook om kosten, naheffingen en mogelijke boetes te voorkomen.
Vragen?
Heb je naar aanleiding van dit artikel nog vragen over zzp’ers en/of schijnzelfstandigheid? Of behoefte aan hulp bij de beoordeling van (schijn)zelfstandingheid? Neem dan gerust contact op via globalmobility@joanknecht.nl.
of neem direct contact op met een van onze specialisten:

Fabiënne Hol-van Goethem | +31 (0)40 240 9464 | fhol@joanknecht.nl

Guy den Dekker | +31 (0)40 240 9572 | gddekker@joanknecht.nl